Ik loop binnen op de wooneenheid waar mijn vader nu woont. Hij heeft Alzheimer’s en kon niet langer thuis blijven wonen bij mijn moeder. Wanneer ik de afdeling oploop zie ik hem al; in de woonkamer waar hij met een begeleider Rummikub aan het spelen is. Ik ga naast hem zitten in de vrije stoel en hij kijkt opzij. “He joh! Waar is je moeder?”. “Die komt er zo aan, ze is nog even wat lekkers op je kamer aan het leggen”.
Hij is nog steeds goed met Rummikub. Hij ziet het allemaal nog prima liggen en hoewel hij verliest heeft dat meer te maken met de slechte stenen die hij trekt dan met zijn Alzheimer’s. We lachen, met de begeleiding en andere bewoners die ineens ook rond de tafel komen staan. Aangetrokken door de uitingen van vreugde? Ik weet het niet, maar er wordt hartelijk meegelachen en een man die ongeveer zo oud als mijn vader lijkt legt zijn hand op mijn schouder en als ik opkijk naar hem lacht hij me toe en zegt “ha meis!”. Ik lach hem ook toe, maar mijn aandacht is bij mijn vader.
Als het spelletje klaar is ruimt hij op en we lopen samen naar zijn kamer. Zodra we de woonkamer uit zijn stromen de tranen: “ik zit hier hele dagen alleen op mijn kamer en we doen nooit wat!”. “Geeft niet joh, we gaan nou lekker een eind lopen hoor”.
In de gang komen we een begeleider tegen. Mijn vaders tranen stoppen gelijk en hij is weer de joviale, zelfverzekerde man. Zodra we zijn kamer binnenlopen stromen de tranen weer: “Ik zit hier hele dagen in mijn eentje, we doen nooit wat, niemand heeft hier aandacht voor me!”. Het verdriet is intens. Hij is verwaarloosd, zit te verpieteren op zijn kamertje, er kijkt nooit iemand naar hem om. Ze roepen hem niet eens voor het eten!
Mijn moeder en ik kijken elkaar aan. Als wij er zijn, dan is dit zijn werkelijkheid: hij is eenzaam en verlaten, er kijkt niemand naar hem om, ze doen nooit spelletjes met hem, er is daar nooit, maar dan ook nooit iets te doen. Als ik hem niet net met mijn eigen ogen een spelletje Rummikub had zien spelen, dan was ik misschien verontwaardigd naar de begeleiding gegaan. Maar we weten dat het niet waar is. Het is dan wel zijn waarheid, nu, maar we weten van de begeleiding (en we zien ook met onze eigen ogen), dat er niet alleen van alles te doen is, maar dat hij er ook actief en graag aan meedoet. Hij is “chef van de lunch” (oftewel hij roept andere bewoners als het eten klaar is), hij is “chef bezemkast” (veegt de gangen) en dat doet hij allemaal vrijwillig. Die taken heeft hij op zich genomen.
Hij doet ook aan fitness (vindt hij niet zo leuk, maar hij doet het omdat hij weet dat het goed voor hem is) en heeft zich opgegeven voor biljarten en klaverjassen (of liever: hij is ervoor opgegeven omdat hij dat zo graag doet). Hij krijgt begeleiding en behalve ‘s avonds voor het slapen gaan als hij op zijn kamer zit televisie te kijken is hij eigenlijk niet alleen.
En toch. Zijn hoofd vertelt hem dat hij hele dagen helemaal alleen zit. Dat is zijn waarheid. Zijn hoofd vertelt hem dat hij in zijn wooneenheid aan zijn lot wordt overgelaten. Dat is zijn waarheid. Alles wat hij observeert en bedenkt gaat door een filter en komt er aan de andere kant uit als iets dat voor hem absolute waarheid is, maar waarvan wij weten dat het niet zo is.
Op de terugweg in de auto zit ik daar een beetje over na te denken en ineens komt een andere gedachte in me op: wat is dus waarheid? Wanneer je ziet wat Alzheimer’s doet met iemands beleving van de realiteit, dan dringt de gedachte zich op dat je eigenlijk nooit er vanuit kan gaan dat wat jij denkt dat waarheid is, dat ook daadwerkelijk is. Natuurlijk, ik kan me het bezoek aan mijn vader levendig herinneren, maar ben ik daar daadwerkelijk geweest? Is het waarheid? Zijn wij dit weekend wel bij mijn moeder wezen logeren zodat ik mijn vader kon bezoeken? Zit ik nu wel op deze bank dit te schrijven? Is het allemaal waar, of is mijn waarheid gewoon een ander soort filter?
Mijn “waarheid” kan ik nog enigzins laten bevestigen door interacties met andere mensen: mijn moeder weet dat we samen bij mijn vader op bezoek zijn geweest en heerlijk een uur hebben gewandeld. Haar waarheid en de mijne komen in dat opzicht overeen. Ook mijn teerbeminde kan bevestigen dat wij dit weekend in Rotterdam zijn geweest en daar gelogeerd hebben. Ik kan dit stukje teruglezen en zelf zien dat ik dit geschreven heb, en als er eventueel reacties op komen, dan kan ik daarin bevestiging vinden dat het inderdaad bestaat.
Maar misschien houd ik mezelf daarin ook wel voor de gek. Misschien zeggen ze dat wel helemaal niet en denk ik alleen maar dat dat zo is. Of reageren mensen helemaal niet, maar zegt mijn filter dat het wel zo is.
Waarom is mijn waarheid meer waar dan die van mijn vader? In zijn hoofd en in mijn hoofd zit een andere waarheid, maar zijn waarheid is voor hem net zo echt als de mijne voor mij. Is zijn waarheid alleen maar minder waar omdat er meer mensen zijn die mijn waarheid bevestigen?
Is waarheid dan gewoon een kwestie van “meeste stemmen gelden?”
Vind ik leuk:
Één blogger vindt deze post leuk.